Watersnoodramp door Annemarie Priemis

De watersnoodramp

Op zondagmorgen 1 februari vermeldt het eerste radiobericht over de net voltrokken ramp, dat er “enkele polders” zijn onder gelopen! Elk uur wordt dat bericht bijgesteld. Slachtoffers, die hebben weten te ontsnappen aan het kolkende water, brengen verslag uit en in allerijl wordt opvang geregeld. In het rampgebied zaten nog talloze mensen vast, die niet tijdig konden weg komen. Ze hebben hun vee zien en horen verdrinken, wat met een vreselijk geschreeuw gepaard ging. Ze zaten op daken, op zolders, in bomen en telefoonpalen en stonden op de dijkresten te hopen dat die het niet zouden begeven. Vissers en particulieren met bootjes doen wat ze kunnen om mensen en dieren te redden. De beesten die nog bevrijd werden uit hun stallen begrepen totaal niet wat er gebeurde en renden vaak in paniek hun dood tegemoet.

Van buitenaf kwam er nog weinig hulp. Dat was te wijten aan de gebrekkige communicatie in die tijd, maar bovendien was het zondag en daardoor waren veel diensten en instanties niet bereikbaar. In de media werd geen aandacht aan Schouwen-Duiveland besteed en er kwam geen hulpverlening op gang. Het was een “vergeten eiland.” Via zendamateurs uit Zierikzee ontstaat er uiteindelijk contact met zendamateurs in Middelburg. Eindelijk drong het tot de rest van Nederland door dat het zuidwesten was getroffen door een ramp van ongekende omvang.

En ook op Schouwen-Duiveland was het erg; bijna het hele eiland was onder water verdwenen. Alleen de duinstrook was gespaard gebleven. Noordwelle ligt dicht bij die duinstrook, dus het water was daar niet onmiddellijk. Bovendien is het dorp op een terp gebouwd. In de toren en kerk is het water helemaal niet geweest en in ons huis stond het 1.30 meter hoog, maar in de keuken en schuren stond het water veel hoger. omdat het daar lager ligt.

Van die zondagmorgen herinner ik me dat ik door mijn moeder werd wakker gemaakt met de woorden: “Je moet er meteen uitkomen, want het water komt. Kijk maar uit het dakraam. We moeten evacueren.” Ik wist niet precies wat dat was, maar ik begreep wel dat het niet goed was. Toen ik uit het raam keek zag ik inderdaad water glinsteren waar anders gewoon land te zien was. Ook luidde de torenklok en dat gebeurde normaal elke dag om twaalf uur, of voor de kerkdienst, of bij een begrafenis. Nu was het nog maar vroeg in de morgen. Het gaf een angstig gevoel. Iedereen was in rep en roer en dat was ook vreemd. Ten eerste omdat het zondag was, maar ook omdat we allemaal griep hadden en alleen het hoognodige werd gedaan. Er werden meubels naar de zolder gebracht door mijn vader, moeder en oma. Mijn opa kon dat niet meer zo goed, want hij liep helemaal krom van de reumatiek. De kachels waren te zwaar om naar boven te brengen en zij werden, nog brandend en wel, op de eettafel gezet. Mijn vader ging naar de schuur, maakte de paarden los en bracht ze met de fiets naar Renesse, en kwam weer terug. Zo fietste hij een aantal keren heen en weer, met de kippen, met de katten…. In de winter hadden we geen varken, dat was nog een geluk.Opa maakte ondertussen de koeien los om die ook naar Renesse te brengen; te voet. Hij werd de volgende dag 73 jaar, maar niemand schonk daar aandacht aan.

Het water kwam steeds naderbij en de sloten stonden al bijna tot de rand vol, terwijl ze normaal hoogstens half vol stonden. Toen moest ik met mijn oma mee. We gingen naar bakker Boslooper. Die had een auto en hij bracht ons naar Renesse. Onderweg zagen we dat de sloten er heel breed uitzagen, ze liepen al over. Op veel plaatsen stroomde het water al over de straten. Ik vond het angstig om te zien, kreeg een soort paniekgevoel. Oma en opa zouden bij een zus van oma in huis gaan. Ik moest daar eerst ook mee naar toe, tot ik opgehaald zou worden door mijn moeder. Ik vond het verschrikkelijk lang duren en was door de ongewone situatie helemaal van slag. Ook al omdat iedereen de vreselijkste verhalen aan het vertellen was. Dat was achteraf natuurlijk wel heel begrijpelijk. De griep was ook gelijk over bij ons allemaal.  

Later kwam mijn moeder me halen en gingen we naar mijn oom en tante. Zij hadden een fruitteeltbedrijf. Mijn  vader en opa waren bezig om het vee daar in de schuur te plaatsen en stro voor ze neer te leggen. Het was nog een geluk dat het winter was, want daarom was die schuur zo goed als leeg. De kisten met fruit waren al verkocht. We kregen tweekamertjes op zolder om te slapen. Verder zaten we gewoon in de huiskamer rond de tafel. Er hing een petroleumlamp boven, want de elektriciteit was natuurlijk uitgevallen. Er waren toen alleen nog maar bovengrondse leidingen en door het geweld van het water waren de palen vernield. Niet alle gebouwen waren als direct gevolg van het water vernield maar ook door het rond drijvende wrakhout en meubels. Dat gebeurde ook met het huis van opa en oma. De hele achtergevel lag er uit! De emotionele schade was oneindig veel groter dan de materiële. Wie de ramp heeft meegemaakt, zal deze nooit meer vergeten.

Toen de omvang en de ernst van de ramp na een paar dagen tot ons allemaal was doorgedrongen, werd het duidelijk dat dit een langdurige geschiedenis zou gaan worden. Mijn tante had haar voorkamer al uit voorzorg ontruimt en haar spullen naar de zolder gebracht. Toen konden wij daar in, zodat we toch een eigen plek hadden om in te wonen. Telkens als het in die eerste week laag water was ging mijn vader naar Noordwelle met paard en wagen. Hij bracht dan voederbieten en hooi mee voor het vee, maar nam ook telkens wat van onze eigen meubels mee. Mijn moeder spoelde en schrobde dat allemaal schoon, want een heleboel dingen die niet naar boven waren gebracht, hadden in het zoute water gestaan. Dan liet ze alles drogen bij de kachel. Zo hadden we na verloop van tijd toch weer wat spullen van ons zelf.

Natuurlijk werd er steeds over de ramp gesproken. Onder elkaar, maar ook met mensen die op bezoek kwamen. Iedereen wilde er natuurlijk over praten en ik zat er als het enige kind bij. De olielamp hing boven de tafel en gaf rare schaduwen in het voor mij toch niet zó bekende huis. Ik hoorde allemaal verschrikkelijke dingen. Verhalen over mensen die verdronken waren, van huizen en boerderijen die ingestort waren, van mensen die vochten om een plekje te bemachtigen in een reddingsboot, van mensen die net gered waren uit hun al half ingestorte huis toen de rest ook instortte en onder water verdween, verhalen over verdronken dieren en ronddrijvende kadavers, enz. En soms was ik bang om mijn benen onder tafel te houden en dan ging ik er maar op zitten. Ik bleef in die tijd heel lang op, want niemand zei dat ik naar bed moest en ik vond het ook eng om alleen op die donkere zolder te slapen. Bovendien gaf het niet, want ik moest toch niet naar school. Als we naar boven gingen moest er een petroleumlamp mee om nog wat te kunnen zien. Er waren allerlei acties op touw gezet om de slachtoffers van de watersnoodramp te helpen. Soms gingen we naar een gebouw in Renesse en dan kreeg je spullen. Dat was de “bedeling” en mijn moeder vond het maar niks. Je kreeg dan kleding, gereedschap, speelgoed, huishoudelijke artikelen, e.d. Dat kreeg iedereen, hoewel wij natuurlijk niet zoveel waren kwijtgeraakt.

Op de radio was een actie om geld in te zamelen en die heette: Beurzen open, dijken dicht. Men dropte ook voedsel uit vliegtuigen op plaatsen waar dat kon en nodig was. Ook werd er hooi voor het vee gedropt.

  Foto: Vee in Zierikzee, gereed om

geëvacueerd te worden.

 

 

In Noordwelle waren een paar mensen achter gebleven.

Zij bivakkeerden in de kerk en hielden tevens toezicht op

het verder verlaten dorp. Er waren ook regelmatig

amfibievaartuigen te zien, de zogenaamde duwks.

Zo reden ze over de weg en zo voeren ze door het water.

We hadden zoiets nog nooit gezien.

Amsterdam had Schouwen-Duiveland geadopteerd en met

name de studenten en de kachelsmeden zorgden voor hulp

goederen.

Veel mensen werden naar elders geëvacueerd, want op die

smalle duinstrook kon natuurlijk niet de hele eilandbevolking

opgevangen worden.

Een groot deel van het geredde vee

werd ook naar elders getransporteerd, omdat er geen

ruimte was en zeker geen voer genoeg.

 

 

Langs de Hogezoom in Renessewas een nooddijk aangelegd om te zorgen

dat het water daar werd tegengehouden.

Op die nooddijk was een aanlegsteigertje

gemaakt en daarlag een motorbootje.

Af en toe gingen we daarmee naar

Noordwelle. Het was heel vreemd om dan

over het land te varen, zo tussen de

boerderijen door. Heel erg akelig was

het om hier en daar dode, opgeblazen

koeien, paardenof varkens te zien liggen.

 

 

 

  Foto: Bij de aanlegsteiger op de nooddijk

 

 

    

Foto: Kadavers.

 

 

Op een zondag was het weer extreem hoog water en opeen gegeven moment stond het op gelijke hoogte

met de nooddijk. Het was natuurlijk erg spannend

of het daar bij zou blijven. Dat was niet het geval

en het water stroomde er overheen. Steeds meer

en meer. Ik heb me dat toen niet zo gerealiseerd,

maar dat moet voor iedereen wel verschrikkelijk

zenuwslopend zijn geweest. Ik vond het alleen

maar spannend. Fietsen reden over de straat

door het water en dat was leuk om te zien.

Wel herinner ik me dat mijn moeder zei:

“Nu zullen we toch niet nog een keer weg moeten!

” Het is gelukkig met een sisser afgelopen.

 

Op een gegeven moment kwam het bericht dat ik weer naar school moest. Men had een noodschool opgericht en dat vond ik niet leuk. Ik hield niet van onbekende dingen en ik wist niet hoe het daar zou zijn. We moesten als jongere kinderen in een evangelisatiegebouwtje. Het was wel geruststellend dat mijn eigen juf daar ook was, maar er waren veel kinderen die ik niet kende. Zij kwamen van andere dorpen. De oudere kinderen zaten in een houten barak die op het grasveld bij de kerk was neergezet, naast de school van Renesse. Ik moest daar na de zomervakantie ook naar toe. We kregen gewoon les, maar mochten ook vaak over de ramp vertellen en vaak opstellen schrijven. Die gingen ook altijd over de ramp. Ik denk wel dat het heel goed is geweest voor de verwerking. Later kregen we ook andere opdrachten om over te schrijven en mocht het niet meer over de ramp gaan.

We waren nog steeds in Renesse geëvacueerd. Ik ging op de fiets naar school over de Hogezoom, een zeer smalle weg van klinkers. Als er een auto aankwam en zeker als het een vrachtwagen was, dan moest je in de berm gaan staan.

Nu was men in die tijd ook steeds bezig met het opruimen van de kadavers en vaak kwam er zo’n vrachtwagen vol met dode opgezwollen koeien achter me aan gereden. De poten staken alle richtingen op en ik was er panisch voor. Als ik zo’n vrachtwagen hoorde aankomen, dan vloog ik van mijn fiets en gooide hem in de berm. Zelf dook ik dan zo ver mogelijk met mijn gezicht in de bosjes en zat dan helemaal gehurkt met mijn armen over mijn hoofd te wachten tot hij weg was. Dan bleef ik nog een poos zitten met mijn kleren voor mijn gezicht, want de stank was ondraaglijk. Dat zal ik nooit meer vergeten zolang ik leef.

Terwijl ik op school zat gingen mijn vader en moeder soms naar Noordwelle om de stand van zaken op te nemen en dingen te redderen. Als ik uit school kwam keek ik soms aan de rand van het dorp naar het water. Op een keer zag ik dat het laag water was en de wegen lagen droog, maar wel onder een laag modder. Ik wist dat mijn ouders naar huis waren en toen dacht ik: “Ik ga ze verrassen, ik ga ook eens kijken. Toen ben ik gaan lopen door de modder. Het is twee kilometer. Nou, verrast waren ze, maar niet blij. Ik moest beloven dat nooit meer te doen, want het water had ondertussen wel op kunnen komen, of zij hadden alweer weg kunnen zijn als ik daar kwam, enz. Daar had ik niet bij stil gestaan, ik wou alleen maar verrassen. Ze hadden natuurlijk wel gelijk.

Mijn vader, en de andere mannen gingen ook werken. Zij kregen daarvoor een uitkering. Sommigen ruimden alles op wat aanspoelde, anderen werkten aan de dijken en maakten zinkstukken van wilgentenen, waar later basalt keien op gestort werden. Ook waren er mensen bezig om alle machines, die door het zoute water helemaal aangetast waren, te ontroesten, zodat ze later weer te gebruiken waren.

Annemarie Priemis